Montageplaatsafhankelijke vermogensreductie

Naast de principiële compatibliteit van de lampen en evt. de voorschakelapparaten moet rekening worden gehouden met de geplande montageplaats.

Omdat het vermogensverlies bij dimmers hoger is dan bij relais, moet vooral worden gelet op de warmte die bij het vermogensverlies ontstaat. Om schade te voorkomen, moet de ontstane warmte veilig worden afgevoerd. De warmte wordt meestal via de montageplaat in de wand afgevoerd. Als deze mogelijkheid ontbreekt omdat de dimmer bijvoorbeeld in een op bouwdoos of in een holle-wanddoos in gipsplaten is geïnstalleerd, moet de nominale belasting worden verlaagd.

 

Bij verhoogde omgevingstemperatuur
Reductie met 10% per 5 °C hogere omgevingstemperatuur dan 25 °C.

Voorbeeld:
Montage van een dimmer met 500 W in een omgevingstemperatuur van 40 °C

40 °C – 25 °C = 15 °C
15 °C / 5 °C = 3
3 × 10% = 30%

Reductie van de nominale last met 30%
De 500 W-dimmer mag slechts met 70% van het aangegeven nominale vermogen worden belast, dus met 350 W.

Bij montage in holle, gipsplaat- of houten wanden, bij montage in meubels
Reductie met 15%.

Voorbeeld:
Montage van een dimmer met 500 W in een kastwand.

Reductie van de nominale last met 15%
De 500 W-dimmer mag slechts met 85% van het aangegeven nominale vermogen worden belast, dus met 425 W.

Bij montage van meerdere dimmers boven of naast elkaar
Reductie voor de buitenste apparaten van 10%, voor de binnenste apparaten van 20%

Voorbeeld:
Montage van 3 dimmers met elk 500 W naast elkaar in een meervoudige combinatie

Reductie van de nominale last van 10% resp. 20%
De beide buitenste 500 W-dimmers mogen met slechts 90% van het aangegeven nominale vermogen worden belast, dus met 450 W.
De binnenste 500 W-dimmer mag slechts met 80% van het aangegeven nominale vermogen worden belast, dus met 400 W.

Als in een installatie meerdere van deze voorwaarden aanwezig zijn, moet het nominale vermogen verder worden gereduceerd.